Algemeene info

Het bestuur

Deiters

Anton Casper Dreesman

Frederik van Eeden

Wethouder Schmidt

Beste bezoeker,

Deze site is buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente Bussum..

Hier een korte uitleg over hoe deze site tot stand is gekomen.

Ik heb alle namen en data's overgenomen uit de begraafboeken welke aanwezig zijn bij de beheerder van de begraafplaats.

Daarna alle zerken langs om de gegevens te controleren en deze aanvullen.

Hier uit bleek dat vaak de overlijdensdatum in de boeken i.p.v. begraaf datum vermeld stond.

Ik ben zorgvuldig te werk gegaan en ben er nog steeds mee bezig om alle gegevens kloppend te krijgen.

Mocht U aanvullingen en/of wijzigingen hebben dan gaarne een berichtje of telefoontje .

Hoe kunt U mij bereiken:

telefoon: 035 525 71 58
of per email Klik hier voor een email

Het stichtingsbestuur bestaat uit:
 
A.H.G. van Eijden   voorzitter
Drs A.H.Postmus   vice voorzitter
Mr. R.A Ritsma   secretaris
Mevr. Mr. G.A.H.M. Steenbakkers penningmeester
L.H.C. Fokker bestuurslid
W.P.J. Majoor   auditor

Correspondentieadres:
Mr. R.A. Ritsma
Postbus 7
1400 AA Bussum

Deiters, Bernard.

- President Commissaris N.V. Eerste Nederlandsche Dames- en Kindermantelfabriek H. Berghaus, Amsterdam. Geb. 28 September 1871 te Munster in W.

- Zoon van A. Deiters, koopman en Gertrud Berghaus.
is gehuwd en heeft l dochter en 5 zonen, waarvan 2 in de zaak werkzaam zijn.
Na zijn schoolopleiding aan het gymnasium in zijn vaderstad genoten te hebben,
kwam Deiters op 18-jarigen leeftijd bij de toenmalige firma H. Berghaus in dienst.

- In 1897 nam hij de zaak over welke toen reeds 18 jaar bestond. Deiters was de eerste, die de fabricage van damesmantels hier te lande op groote schaal ter hand nam. Daar de confectie-industrie destijds voor Nederland nog geheel nieuw was, had D. met veel moeilijkheden te kampen. Hij ondervond in den beginne veel tegenwerking, ook door de conservatieve instelling van vele detailleurs. Ook was toen reeds het kweeken van werkkrachten een buitengewoon moeilijk probleem.

- De firma werd in 1922 omgezet in een N.V. en deze mag zich thans in grooten bloei verheugen. Zij is een belangrijke afheemster geworden van de textielfabrieken
in Twente en Noord-Brabant. Zij heeft een personeel in dienst van meer dan 700 man en heeft, behalve in ons eigen land, afzetgebied in Engeland, Scandinavië en Zwitserland.
Deiters is begiftigd met de onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice, welke hem ter gelegenheid van hot 40-jarig bestaan der zaak ten deel viel.
DREESMANN, Anton Caspar Rudolph (1854-1934)
Dreesmann, Anton Caspar Rudolph , ondernemer (Haselünne (Hannover) 9-09- 1854 - Bussum 15-11- 1934) . Zoon van Anton August Sigismund Dreesmann, winkelier in manufacturen, en Antonia Kerckhoff. Gehuwd op 6-8-1879 met Helena Alida Antonette Tombrock (1860-1928). Uit dit huwelijk werden, behalve 4 jong overleden dochters, 2 zoons en 3 dochters geboren. Bij Wet 2-1-1901 (Staatsblad nr. 19) genaturaliseerd tot Nederlander.


Anton Dreesmann groeide, samen met twee broers en drie zusters, op in een streng rooms-katholieke familie die tot de gegoede middenstand behoorde. Zijn vader had in Haselünne een eigen manufacturenwinkel, waarin Anton als oudste zoon al op zeer jeugdige leeftijd meehielp. Hier werden hem de eerste beginselen van het koopmanschap bijgebracht. In 1867 vertrok de dertienjarige Anton naar de handelsschool in Osnabrück om zich daar verder in het vak te bekwamen. Vandaar ging hij in januari 1871 naar Amsterdam voor een verdere opleiding. Dat de jonge Dreesmann - en met hem vele jonge Westfaalse katholieken - juist toen zijn toekomst in het buitenland zocht, moet waarschijnlijk worden gezien als een manier om aan de gehate driejarige Pruisische militaire dienst te ontkomen.
Via een eerder naar Amsterdam geëmigreerde neef werd voor Dreesmann een betrekking als winkelbediende geregeld in de manufacturenzaak van de familie Bührs aan de Nieuwendijk. Gedurende de eerste jaren was Dreesmann hier intern, totdat hij in 1874, na het voltooien van zijn opleiding tot winkelbediende, werd benoemd tot winkelchef van de nieuwe zaak van Bührs in de Amsterdamse volksbuurt de Jordaan, waar hij boven de winkel ging wonen. Na zeven jaar besloot Dreesmann een eigen manufacturenzaak in de Jordaan te beginnen, waartoe hij van een oom tweeduizend gulden leende. Deze winkel ging open op 28 september 1878.
Dreesmann doorbrak als een van de eersten de indertijd in Nederland gangbare detailhandelsgewoontes en introduceerde nieuwe verkooptechnieken, waarbij hij in zijn zaak goederen verkocht tegen vaste lage prijzen à contant zonder enige korting. Vanaf het begin had hij een - zeker voor die tijd - ongebruikelijke handelsvisie, die was gericht op lage prijzen, een bescheiden marge en een hoge omzet. Hoewel hij met één zaak nog niet in het groot kon inkopen, hield Dreesmann de prijzen van de goederen laag door restanten en faillissementspartijen op te kopen en deze in de volksbuurt rondom zijn winkel af te zetten. De winkel liep goed: al na vijf maanden werd een eerste bediende aangenomen en kon hij het zich financieel veroorloven om naar een echtgenote om te zien. In 1879 trouwde Dreesmann met Helena Tombrock, de oudste dochter van een welgestelde katholieke winkelier uit Franeker en indirect familie van hem. Daags na het huwelijk nam het echtpaar zijn intrek in de tweede zaak, die Dreesmann kort daarvoor had gekocht. Deze grotere winkel, schuin tegenover zijn eerste zaak, was gekocht en verbouwd met financiële steun van zijn schoonvader en wederom van zijn oom.
Dreesmann beschikte daarmee over twee eigen manufacturenwinkels. In de nieuwe zaak begon hij samen met zijn echtgenote een afdeling voor gemaakt (onder)goed, waar later ook op maat gemaakte rokken, japonnen en blouses werden geproduceerd. Dit atelier - ook wel 'knipperij' genaamd - was indertijd de eerste in Amsterdam. Een andere noviteit was laken dat onder de eigen (merk)naam Dreesmann ook verkocht werd in andere dan in zijn eigen winkels. In de periode 1879 tot en met 1887 werkten in totaal veertien personeelsleden kortere of langere tijd bij de familie Dreesmann in de winkel.
Dreesmann onderhield goede contacten met andere ondernemers in de hoofdstad, onder wie Willem Vroom. Deze katholieke eigenaar van een manufacturenwinkel aan de Leliegracht trouwde in 1883 met Francisca, een jongere zuster van Helena Tombrock. Daarmee waren Vroom en Dreesmann behalve vrienden ook zwagers geworden. Sinds 1885 kochten de zwagers, met een neef van Vroom, gezamenlijk in op beurzen en bij fabrikanten, waardoor zij de vele tussenliggende distributiekanalen konden uitschakelen. Het prijsvoordeel hiervan gaven zij door aan hun klanten, waardoor hun concurrentiepositie steeds sterker werd. In 1887 gingen Dreesmann en Vroom, eigenaren van inmiddels goedlopende manufacturenzaken, over tot nauwere samenwerking. Op 15 april 1887 werd een akte van vennootschap opgemaakt 'aangegaan voor een tijd van zeven jaren, aanvangende op 1 mei 1887'. En op die datum werd hun eerste gezamenlijke zaak geopend aan de Weesperstraat in Amsterdam.
De zaak ging Vroom&Dreesmann (V&D) heten, omdat Vroom de oudste van de twee was. Dreesmann verschafte het bedrijfskapitaal van vierduizend gulden voor de nieuwe zaak tegen een rente van vier procent, terwijl een jongere broer van Dreesmann als bedrijfsleider werd aangesteld. Naar het voorbeeld van de winkel aan de Weesperstraat werden vervolgens nog twee zaken geopend. Vanaf 1 januari 1890 gingen alle zaken op in één combinatie en werden ze voor gezamenlijke rekening gedreven. Sindsdien bestond een duidelijke taakverdeling tussen de beide ondernemers: Vroom verzorgde de administratie en de financiën van de firma, terwijl Dreesmann de inkoop en de verkoop voor zijn rekening nam. Deze taakverdeling, hun specifieke kennis van de manufacturenbranche en het feit dat beide zwagers elkaar zo goed aanvulden zouden de gezamenlijke firma tot grote bloei brengen.
Met inmiddels zes eigen zaken begon de Amsterdamse markt voor V&D rond 1892 verzadigd te raken en besloten Dreesmann en Vroom buiten de hoofdstad nieuwe vestigingen te openen. Na Rotterdam (1892) en Den Haag (1893) gebeurde dat in sucessievelijk Nijmegen (1895), Arnhem (1896), Haarlem (1896) en Utrecht (1898). Tot ongeveer 1920 zou het aantal zaken flink toenemen en zou vrijwel iedere grote Nederlandse stad een V&D-vestiging krijgen. Bewust maakte Dreesmann het in snel tempo openen van nieuwe filialen tot een vast onderdeel van het commerciële beleid van de firma. Op deze manier konden beide zwagers meer en nog scherper inkopen, waardoor hun winkels een gunstige concurrentiepositie ten opzichte van andere winkeliers bleven behouden.
Intussen had zowel Vroom als Dreesmann familieleden naar Amsterdam laten overkomen. Dit reservoir aan geschikte en goed katholieke verwanten stelde beide zwagers in staat het aantal vestigingen voortdurend uit te breiden. Daarbij werd telkens dezelfde strategie toegepast. Een mannelijk familielid kreeg na een gedegen interne opleiding bij Dreesmann - en bij gebleken geschiktheid - het aanbod directeur te worden van een nieuwe vestiging. Deze werd daarvan dan onmiddellijk voor de helft eigenaar, waarbij hij in staat werd gesteld zijn nog niet volgestorte aandelen later uit de te verwachten winst af te lossen. Op deze manier vergrootten beide zwagers de betrokkenheid van de nieuwe directeur, wat een positieve invloed had op de resultaten van het desbetreffende filiaal. Vanaf 1905 werden de bestaande vestigingen omgezet in naamloze vennootschappen, waarvan beide ondernemers tot hun pensionering in 1919 enige commissarissen waren. In deze positie hadden zij grote invloed op de besteding van de winsten.
Kenmerkend voor de bedrijfsvoering was het patriarchale V&D-internaat, dat in sommige filialen zelfs tot het eind van de jaren twintig van de twintigste eeuw bleef bestaan. Dreesmann was al in zijn eerste zaak ermee begonnen om personeel intern te huisvesten. Op deze manier kon hij zicht houden op zijn mensen, zowel tijdens de arbeidsuren als daarbuiten. Alle andere V&D-filialen kregen een eigen internaat, en van de directeur werd verwacht dat hij een oogje in het zeil hield met betrekking tot het gedrag en de vrijetijdsbesteding van het personeel. Zo werd het kerkbezoek bijgehouden, en in veel gevallen hing er zelfs een biechtrooster in de slaapzalen. De strenge regels die in de internaten werden gehanteerd bezorgden V&D een goede naam bij katholieke ouders, waardoor het vinden van voldoende personeel voor de vele nieuwe vestigingen over het algemeen weinig problemen opleverde.
Behalve het aantal vestigingen vertoonden ook de omzetten en de winsten van de firma een (sterk) stijgende lijn, en deze goede resultaten stelden beide ondernemers al in 1894 in staat in Amsterdam op de Prinsengracht te gaan wonen. Kort na 1901 verhuisde Dreesmann met zijn gezin naar Bussum, waar hij de villa 'Looverhof' had laten bouwen. Dit huis bood voldoende ruimte voor zijn hobby's, zoals het verzamelen van schilderijen, antieke voorwerpen, zilver, postzegels, munten en honderden klokken. Dreesmann was een kenner van antiquiteiten en onderhield goede contacten met Nederlandse en buitenlandse verzamelaars. Hij hechtte zeer aan familiebanden, en als een echte 'pater familias' organiseerde hij, vanaf het moment dat hij naar Bussum verhuisde, jaarlijks op tweede kerstdag in zijn villa een familiedag met diner en een loterij. Voor Dreesmann was dit het hoogtepunt van het jaar, waarbij niemand van de familie mocht ontbreken.
Dreesmann had minder belangstelling voor de landelijke politiek dan voor de lokale politiek, een interesse die mogelijk voortkwam uit een behoefte bij de dorpsgemeenschap te horen en daar iets voor te betekenen. Zo had Dreesmann van 1912 tot 1919 namens de rooms-katholieke kiesvereniging zitting in de Bussumse gemeenteraad. In deze periode heeft hij zich vooral ingespannen voor praktische verbeteringen, zoals de aanleg van gemeentelijke nutsvoorzieningen. Daarnaast maakte Dreesmann zich als financier en bestuurder verdienstelijk voor tal van katholieke charitatieve instellingen, zoals het op zijn initiatief in 1910 opgerichte Majella-ziekenhuis in Bussum. Dreesmann was zeer religieus. Hij heeft bij herhaling geldbedragen aan de kerk geschonken en financierde samen met Willem Vroom de opleiding van de latere kardinaal Van Rossum.
Kort na zijn tachtigste verjaardag werd Anton Dreesmann ziek. Twee maanden later overleed hij, geheel verzwakt, maar 'zacht en kalm', op 'Looverhof' omringd door zijn talrijke familieleden. Daarmee kwam een einde aan het leven van de medegrondlegger van het lange tijd meest succesrijke grootwinkelbedrijf in Nederland. Als exponent van de groep Westfaalse immigranten die na 1870 de ontwikkeling en vernieuwing van het Nederlandse grootwinkelbedrijf vorm hebben gegeven, had hij een scherp oog voor marktontwikkelingen en de mogelijkheden die de Nederlandse detailhandel hem bood. Door zijn toedoen verbreedde de firma V&D als eerste en enige manufacturenzaak het oorspronkelijke assortiment tot het uiteindelijke warenhuisassortiment. Kenmerkend voor Dreesmann en Vroom was de steun die zij ontvingen van hun familieleden. Met hen wisten zij de opbouw en snelle expansie van hun grootwinkelbedrijf te verwezenlijken.
A: Persoonlijke bescheiden betreffende A.C.R. Dreesmann in Historisch Archief van Vroom&Dreesmann BV te Amsterdam
P: A.C.R. Dreesmann, Wordingsgeschiedenis van een groote onderneming [Ongepubliceerde memoires aanwezig in het onder A genoemde Historisch Archief].
L: N.A. Hamers, Samenvatting van de genealogieën der geslachten verbonden met het concern Vroom&Dreesmann (Nijmegen 1967); H.Ph. Hondelink, 'Vroom en Dreesmann, de oprichters en hun onderneming, 1887-1912', in Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek IX (Amsterdam 1992) 159-184; Jeroen Terlingen, Anton Dreesmann. Moed, macht&miljoenen (Naarden 1992); Philippe Hondelink, 'De Amsterdamse familie Dreesmann. Van manufacturenwinkel tot Vendex International', in Ons Amsterdam 47 (1995) 86-90.
I: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek IX (Amsterdam 1992) 164.
H.Ph. Hondelink

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 05-09-2003

     


EEDEN, Frederik Willem van (1860-1932)

Eeden, Frederik Willem van , letterkundige en zenuwarts (Haarlem 3-4- 1860 - Bussum 16-6- 1932 ). Zoon van Frederik Willem van Eeden, secretaris Maatschappij van Nijverheid, botanicus, en Neeltje van Warmelo. Gehuwd op 15-4-1886 met Martha van Vloten, van wie hij op 29-7-1907 is gescheiden; vervolgens huwde hij op 21-8-1907 met Geertruida Woutrina Everts. Uit elk der huwelijken werden 2 zoons geboren.

Van Eeden bezocht enige jaren de HBS te Haarlem, deed in 1878 staatsexamen en ging in Amsterdam medicijnen studeren. In 1885 deed hij artsexamen en in 1886 promoveerde hij te Amsterdam op Kunstmatige voeding bij tuberculose. Hij was korte tijd werkzaam te Parijs en Nancy (Liébault) waar hij belangstelling en aanleg voor psychische therapie (hypnose) aan de dag legde. Vervolgens vestigde hij zich als huisarts te Bussum; in 1887 associeerde hij zich met dr. A.W. van Renterghem in het Instituut voor Psychische Therapie te Amsterdam. Reeds in zijn studentenjaren gaf Van Eeden blijk van literaire aanleg en belangstelling. Hij was voorzitter van de letterkundige vereniging Flanor en werkte mee aan de oprichting van De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur werd (1885-1893). Bekendheid verkreeg hij ook over de grenzen met het wijsgerig sprookje De kleine Johannes, dat zelfs in het Chinees werd vertaald. Verder maakte hij naam met 'studies' in hetzelfde blad en de verzencyclus Ellen (1891). Hij was noch naturalist, noch sensitivist, noch marxist, noch bohémien, maar stond naast zijn mederedacteuren in hun kritiek op de door hun verouderd geachte opvattingen en burgerlijk-benauwende toestanden en hun verguizing van de traditionele poëzie; evenals voor Kloos, Verwey en Gorter was voor hem Shelley de ideale dichter, door oorspronkelijkheid van beeldspraak, klank en ritme en beleving van het dichterschap als hoogste vorm van menselijkheid. Van Eeden zag in zijn eigen sterke bewogenheid met maatschappelijke nood een verwantschap met Shelley die hij in zijn mederedacteuren miste, terwijl dezen Van Eeden als dichter hun mindere achtten.

Omstreeks 1895 staat Van Eeden alleen; hij heeft in 1893 in vrede de associatie met Van Renterghem verbroken en met tumult die met De Nieuwe Gids. Uit bezinning op eigen innerlijk leven was het prozawerk Johannes Viator (1892) voortgekomen, dat evenals Ellen door Verwey scherp veroordeeld werd. In beide werken wordt de liefde, in tegenstelling tot de begeerte, als afspiegeling van een goddelijke, de kosmos richtende kracht (Plato, Dante) gebeeld. Uit wijsgerige bezinning waren ook ontstaan De Broeders (1894; later De Broederveete), een lyrisch-fantastisch leesdrama dat de christelijke heilsleer in zijn traditioneel populaire vervorming hekelde, en het leerdicht Het Lied van Schijn en Wezen (1895-1923. 3 dln.), dat ondanks stroefheid van taal en strofe op scrupuleus-nauwkeurige en toch dichterlijk-bewogen wijze vorm gaf aan wijsgerige denkbeelden en hoogtepunten van mystieke wijsheid. Soortgelijk streven naar zuivere begripsbepaling langs rationele weg deed in 1893-1897 het wijsgerig essay 'Grondslag van verstandhouding' (Studies III) ontstaan. In 1897 volgde het lyrische drama Lioba dat in verhulde vorm een dramatische episode uit Van Eedens liefdeleven weergaf (opgevoerd op Duin- en Kruidberg 1912).

In dezelfde tijd begint maatschappijhervorming het middelpunt van zijn gedachtenleven te worden en gaat de psychotherapie, incidenteel nog beoefend, een perifere plaats innemen. Principieel tegenstander van een materialistische wereldleer als hij was, kon hij zich niet aansluiten bij het marxisme, waarvan hij verdorring van de menselijke ziel en een verlelijking van de wereld vreesde. Zijn socialisme werd beïnvloed door Morris, Ruskin, Thoreau en, in mindere mate, de Fabians, later door Henry George en Fr. Oppenheimer. Overtuigd dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op til was, ontwierp hij plannen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij, die, op pachtvrije grond, een onafhankelijk, eenvoudig, harmonisch bestaan mogelijk zouden maken voor iedereen die wilde werken. Dit is de oorsprong van de kolonie Walden, die Van Eeden met enkele anderen in 1898 bij Bussum stichtte. Walden ontwikkelde zich van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen en met sterke invloed van Van Eeden, tot een principieel antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economische zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde. Als overkoepelend orgaan van de produktieve associaties in Nederland werd in 1901 op initiatief van prof.mr. I.B. Cohen en F. van Eeden de vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit opgericht, die bezinning op theorie en praktijk wilde bevorderen en daartoe adviezen en leiding gaf (orgaan: De Pionier). Walden stond uiteraard aan voortdurende kritiek bloot, zowel van liberale als marxistische kant. Daarbij voegde zich de ergernis van de velen die van kritiek op het genot van rente, vlees en alcohol niet gediend waren. Er waren ook herhaaldelijk interne moeilijkheden over arbeidsindeling, beloning en doelstelling. Een versterking kreeg Walden gedurende enkele jaren als leverancier van de verbruikscoöperatie De Eendracht, die Van Eeden in 1903 te Amsterdam oprichtte om de na de staking van april uitgesloten spoorwegarbeiders aan een bestaan te helpen. De Eendracht kwam snel tot bloei, maar ging in 1907 failliet en sleepte Walden mee. Van Eeden voldeed de vorderingen van de vele kleine crediteuren voor 100 %, wat hem en sommigen uit zijn naaste omgeving hun vermogen kostte.

De schuld die de openbare mening Van Eeden aanwreef, lag volgens hem bij sommige onnauwkeurige of oneerlijke medewerkers, maar de kritiek had in zoverre gelijk, dat zijn innerlijke aandacht omstreeks 1904 weer naar het schrijverschap gezwenkt was, waardoor hij niet de bezielende en overal aanwezige leider was die beide coöperaties nodig hadden. Van Eeden kon met de verworpenen der aarde goed opschieten, maar zowel het werken met ongeschoolde en niet voldoende geselecteerde vrijwilligers als het principieel leidingloze dat later ingevoerd werd, heeft hij naderhand als fouten beschouwd ('Mijne ervaringen op sociologisch gebied', in De Gids van 1907; afz. herdr. in 1954). Na 1907 blijft hij overigens zijn denkbeelden trouw; hij verkondigt zijn idealen en in de talloze lezingen die hij, eerst in Amerika, daarna in Duitsland en Scandinavië en in de Nederlandse provincie hield, viel de behoefte aan verkondiging - en zelfrechtvaardiging - samen met de plicht, zijn gezin te onderhouden en met het besef van een ongewone, aan zijn hypnotische begaafdheid verwante welsprekendheid.

Tijdens de eerste jaren op Walden had hij de psychologische roman Van de koele meren des doods (1900) geschreven, die pas een halve eeuw later, het eerst door Verwey in 1939, de verdiende erkenning vond. In 1901 bundelde Van Eeden zijn gedichten in Van de passielooze lelie, maar pas in 1904 begint hij weer regelmatig te schrijven: De kleine Johannes (II, III: 1905-1906), De Nachtbruid (1909), Sirius en Siderius (I, II: 1912-1914). In deze boeken speelt naast de maatschappelijke problematiek de parapsychologische een rol. Van Eeden had in dit opzicht uitzonderlijke ondervindingen opgedaan, die hij vrij-romantisch verwerkte in De Nachtbruid en wetenschappelijk beschreef in een voordracht voor de Londense Society for Psychical Research (Proc. LXVII vol. XXVI: A study of Dreams', vert. en ingel. door Hans van Eeden).

Van zijn literair werk bezorgden de toneelstukken hem teleurstellingen, alleen IJsbrand (1908) heeft tijdelijk een schouwburgsucces gehad. De heks van Haarlem (1915) meer als leesdrama dan als toneelstuk. De Studies (zes reeksen) bevatten veel denkbeelden die in de tweede helft van de twintigste eeuw opnieuw actueel zijn geworden door belangstelling voor mystiek en terugkeer tot eenvoudig leven, belangstelling voor ecologie en besef van dreigende onbewoonbaarheid van de aarde. Het derde boek van Het lied van Schijn en Wezen (1922) vond zijn afsluiting in Van Eedens bekering tot het katholicisme (doop 18-2-1922 in de St. Paulusabdij te Oosterhout). Van Eeden had veel vrienden; in latere jaren waren onder hen bekende buitenlanders (Romain Roland bleef onopzettelijk buiten de hierna te noemen kringen). Zijn vermogen om mensen tot elkaar te brengen uitte zich in de Forte-Kreis (Berlijn, 1912-1914) die een wereldraad van wijzen wilde worden (E. Gutkind, P. Bjerre, M. Buber, W. Rathenau, G. Landauer, Upton Sinclair, H. Borel e.a.). Op initiatief van Van Eeden ontstond in 1918 de Signifische Kring met G. Mannoury, L.E.J. Brouwer, en in het begin J.I. de Haan en later Jac. van Ginneken (denkbeelden voorbereid door Lady Welby, 1912); deze kring specialiseerde zich door de overwegende invloed van eerstgenoemde wiskundigen in bezinning op de grondslagen van de wiskunde. Andere activiteiten van Van Eeden in dezelfde periode berustten minder op persoonlijke banden, maar toonden evenzeer aan hoezeer hij zich bij het geestelijk leven in land en maatschappij betrokken gevoelde: een mederedacteurschap van De Groene Amsterdammer (1915-1922), een streven naar een eigen spelling waarin vooral dubbele lettertekens voor 'lange' klinkers de aandacht trokken (sedert 1912) en de ontdekking van Rabindranath Tagore voor Nederland, van wie Van Eeden Gitanjali (vert. in Wijzangen, 1913) en ander werk vertaalde.

Van Eeden werd vroeg door ouderdomsaftakeling gekweld. Na omstreeks 1924 ging zijn geestelijke helderheid geleidelijk verloren. Na zijn dood bleek hoezeer de herinnering in althans een kleine kring levend bleef: in Amsterdam werd in 1934 het Frederik van Eeden-Genootschap opgericht, dat de nagelaten papieren van de schrijver bezit en tot heden 24 afleveringen Mededelingen het licht heeft doen zien, waarin Van Eedens veelzijdige persoonlijkheid en werkzaamheid worden belicht.

A: Frederik van Eeden-Museum in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

P: Zie behalve de reeds genoemde werken Documentatiedienst Nederlands Letterkundig Museum en Mijn Dagboek (Amsterdam, [1931-1941]. 9 dln.). Dl. 1-8 gecensureerd in Opgang. Dl. 9 ongecensureerd uitg. door H. van Eeden en H.W. van Tricht; Dagboek 1878-1923. Voor het Frederik van Eeden-Genootschap uitg. en toegel. door H.W. van Tricht (Culemborg, [1971-1973]. 4 dln.). Op enkele medische passages na ongecensureerd : De briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel. In opdracht van het Frederik van Eeden-Genootschap verzorgd en toegel. door H.W. van Tricht en H.G.M. Prick (Zwolle, 1964); J.A. der Mouw, Brieven aan Frederik van Eeden. Uitg. en ingel. van aant. voorzien door H.G.M. Prick ('s-Gravenhage, 1971). In de Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap verschenen brieven van en aan A. Diepenbrock, W. Kloos, J. van Looy, A. Verwey en Lady Welby. Red. door H. van Eeden en H.W. van Tricht.

L: G. Kalff, Jr. Frederik van Eeden. Psychologie van den Tachtiger (Groningen, 1927); Liber amicorum dr. Frederik van Eeden (Amsterdam, 1930); H.W. van Tricht, Frederik van Eeden. Denker en strijder (Amsterdam, 1934). Herdr. (Utrecht, 1978); A. Verwey, Frederik van Eeden (Santpoort, 1939); H.W. van Tricht, 'Frederik van Eeden 1860 - 3-4-1960', in Maatstaf 7 (1959-1960) 774-789, ook in Mededelingen XVIII (april 1960); H.C. Rümke, Over Frederik van Eeden's Van de koele meren des doods. Een essay (Amsterdam, 1964); G. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde 5e geheel herz. dr. ('s-Hertogenbosch, 1976) IV, 179-196; Over 'Van de koele meren des doods'. Een reeks beschouwingen over de roman van Frederik van Eeden, Verz. en uitg. door Han Schipperheijn (Utrecht, 1976). J.M. Welcker, 'Walden 1898-1907', in Heren en Arbeiders (Amsterdam, 1978).

H.W. van Tricht


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 05-09-2003

Van l. naar r.: Frederik van Eeden met in zijn armen het huisaapje Priem, zijn eerste vrouw Martha van Eeden-van Vloten, en hun beide zoons Paul en Hans voor de serre van Huize Dennekamp te Bussum, 1895






Wethouder Schmidt

Schmidt

Te Bussum overleed wethouder G.J. Schmidt. Met hem is een nobel mens heengegaan. Jarenlang heeft hij in de R.K. Arbeidersbeweging zijn verdienstelijk werk verricht. Jarenlang ook was hij gemeenteraadslid van Bussum en sedert 1946 Wethouder van Sociale Zaken. Wat in Schmidt het meest trof, dat was wel zijn gave eerlijkheid en de oprechtheid zijner bedoelingen. Daarnaast stond de ernst waarmede hij elke taak, welke hij op zich nam, uitvoerde. Hij was haast te contentieus. Hij was geen man om stukken te laten slingeren of om zich ven een kwestie, groot of klein af te maken. Daarom viel hem het wethouderschap van Bussum niet gemakkelijk en vergde dit veel van zijn krachten. Zijn door en door eerlijk en gaaf karakter deed hem de rechtvaardigheid zoeken en angstvallig het voor en tegen afwegen, zodat hem de beslissing dikwijls moeilijk viel.
Gelukkig de mens, die in eenvoud leeft en de ijdelheid niet najacht.
Al de beloften die God's woord over de rechtvaardigen uitstort, mogen wethouder Schmidt in het eeuwige leven deelachtig zijn.


/